“Perché Quelle Strane Gocce di Sangue sul Corpo di Jennifer?” (1972) van Giuliano Carnimeo, oftewel “The Case of the Bloody Iris” van Anthony Ascott

Perché Quelle Strane Gocce di Sangue sul Corpo di Jennifer? (1972) van Giuliano Carnimeo is een Italiaanse giallo van het zuiverste soort. Zoals in die tijd regelmatig het geval was bij in de Angelsaksische wereld minder bekende acteurs en regisseurs uit het continentale Europa gebruikte Carnimeo voor vele van zijn films een Engels klinkend pseudoniem: “Anthony Ascott”. Ook de schijnbaar onnodig lange titel van de film werd voor de Engelstalige markt aangepast tot The Case of the Bloody Iris, wat ook met het oog op de inhoud van de film eigenlijk een veel meer toepasselijke titel is.

Perché Quelle Strane Gocce was de eerste en enige giallo van Giuliano Carnimeo (1932-2016), die verder vooral bijzonder productief was binnen het spaghettiwesterngenre. Carnimeo had enige roem verworven met zijn filmreeks rond Sartana, een personage dat grotendeels gebaseerd was op zowel The Man with No Name als Colonel Mortimer uit de beroemde westerns van Sergio Leone. Vanaf het einde van de jaren ’70, toen de hoogdagen van het westerngenre voorbij waren, regisseerde hij vooral erotische komedies en uiteindelijk zelfs een Mad Max-achtige sciencefictionfilm (Il Giustiziere della Strada in 1983) en een bloederige horrorfilm (Quella Villa in Fondo al Parco in 1988).

Lees meer »

“Don’t Look Now” (1973) van Nicholas Roeg

“She says it’s like a city in aspic, wrapped over from a dinner party, where all the guests are dead or gone.

Heather (Hilary Mason) in Don’t Look Now (1973)

Don’t Look Now (1973) van de Britse regisseur Nicolas Roeg is voor mij en voor vele anderen een film die net dat beetje boven de lange lijst van horrorklassiekers uitsteekt. Mocht ik een persoonlijke rangschikking bijhouden, dan stond Don’t Look Now zeker op een gedeelde eerste plaats met The Shining (1980) van Stanley Kubrick. Roeg is natuurlijk een veel minder bekende naam dan Kubrick. Tot mijn scha en schande moet ik ook toegeven dat ik behalve Don’t Look Now nog geen enkele film van hem gezien heb. Ik ben dan ook niet in staat om dit meesterwerk te situeren binnen zijn oeuvre. Wat wel opvalt is dat zowat alle films van Roeg gebaseerd zijn op literaire werken.

Lees meer »

“La Morte Ha Fatto l’Uovo” (1968) van Giulio Questi

E finalemente: la fiesta! Il pollo godereccio … il pollo playboy, che col suo bravo smoking barcollo party.

Mondaini (Jean Sobieski) in La Morte Ha Fatto l’Uovo (1968)

La Morte Ha Fatta l’Uovo (1968) is een giallo van de Italiaanse regisseur en scenarist Giulio Questi. Het Italiaanse giallo-genre kende zijn bloeiperiode vooral in de jaren ’70 en het begin van de jaren ’80, dus La Morte Ha Fatta l’Uovo is één van de weliswaar vele films die enigszins te situeren zijn in de beginperiode van dit fenomeen. De film werd in het Engels uitgebracht als Death Laid an Egg

In een giallo gaat het bijna altijd om een reeks expliciet bloederige moorden, gepleegd door een mysterieuze seriemoordenaar. De slachtoffers zijn meestal mooie, vaak schaars geklede jonge vrouwen. De identiteit van de moordenaar is echter van ondergeschikt belang aan de seksueel-pathologische motieven die hem drijven. Daarbuiten kunnen diverse sociale, filosofische, psychologische thema’s en problematieken aan bod komen, vaak fijntjes tussen de lijnen door of door middel van symbolische beelden, waardoor de logica achter de verhaallijn niet altijd even duidelijk is. Het is dan ook niet te verwonderen dat het meest kenmerkende element van de giallo de typerende esthetiek is, met opvallende kleuren, kunstzinnige montages en beeldcomposities en onconventionele camerastandpunten. De giallo wordt vaak beschouwd als de voorloper van de Amerikaanse slasher-film, die zich pas eind de jaren ’70 echt als genre zou definiëren, weliswaar met een veel minder kleurrijke, om niet te zeggen eerder duistere esthetiek.

In La Morte Ha Fatta l’Uovo lopen eigenlijk drie verhaallijnen door elkaar, en pas op het einde wordt volledig duidelijk hoe ze deel uitmaken van hetzelfde web van intriges.

Lees meer »

“Zombi 2” (1979) van Lucio Fulci

Die Erde ist dann klein geworden, und auf ihr hüpft der letzte Mensch, der Alles klein macht. Sein Geschlecht ist unaustilgbar, wie der Erdfloh; der letzte Mensch lebt am längsten.

Friedrich Wilhelm Nietzsche, Also sprach Zarahustra: Ein Buch für Alle und Keinen (1883-85)

Lucio Fulci (1927-1996) was één van de meest gerenommeerde regisseurs binnen het Italiaanse horrorgenre, dat zijn bloeiperiode kende van begin de jaren ’70 tot eind de jaren ’80. Hoewel hij voordien vooral actief geweest was als scenarioschrijver en regisseur van Italiaanse komedies, vaak met grote namen als Totò of het komische duo Franco en Ciccio, wordt Fulci toch vooral herinnerd omwille van zijn bloederige giallo’s en horrorfilms. Hoewel zijn films hem binnen Italië roem en commercieel succes opleverden, werden ze door de gevestigde internationale critici veeleer beschouwd als exploitatiefilms, vooral omwille van hun vaak choquerende, expliciete inhoud. Toch staat zijn bekendste werk zowel qua budget als qua kwaliteitsgehalte minstens enkele treden hoger dan de vele weliswaar inhoudelijk gelijkaardige exploitatiefilms die in die periode aan de lopende band geproduceerd werden in Italië.

Zombi 2, in de Engelstalige wereld uitgebracht als Zombie of Zombie Flesh Eaters, is wat mij betreft één van de meest complete films binnen zijn subgenre. George A. Romero’s Dawn of the Dead (1978), het indrukwekkende vervolg op diens ouderwetse zombieklassieker Night of the Living Dead (1968), werd voor het Italiaanse publiek bewerkt door Dario Argento en uitgebracht onder de titel “Zombi”. Ondanks wat de titel suggereert, is Zombi 2 een op zichzelf staande film die geen rechtstreeks verband houdt met Romero’s filmreeks: de pandemie begint opnieuw van voor af aan, maar speelt zich af op de verre achtergrond van een persoonlijke zoektocht die door een groep protagonisten ondernomen wordt om de oorsprong van dit vreemde verschijnsel te achterhalen.

Lees meer »

“Les Raisins de la Mort” (1978) van Jean Rollin

Les Raisins de la Mort (1978), in het Engels letterlijk vertaald als The Grapes of Death, maar in West-Duitsland uitgebracht onder de meer sensationele, doch behoorlijk misleidende titels Foltermühle der gefangenen Frauen en Zombis geschändete Frauen, is hoogst waarschijnlijk de bekendste, of toch minstens de beruchtste film van de Franse horrorregisseur Jean Rollin (1938-2010). Rollin was samen met o.a. Jesús Franco begin de jaren ’70 één van de pioniers van het horrorgenre op het Europese vasteland, dat zich vaak binnen een zekere taboesfeer afspeelde: naast expliciete amputaties, bloederige onthoofdingen en andere wreedheden werd ook (vrouwelijk) naakt, erotiek en zelfs seksueel geweld in beeld gebracht op een wel heel suggestieve manier, vaak grenzend aan het soft-pornografische. Het is dan ook niet te verwonderen dat vele van deze regisseurs hun minder creatieve periodes vaak spendeerden aan het regisseren van erotische of pornografische films. Desondanks getuigt hun oeuvre van een bijzondere esthetische gevoeligheid die sinds de jaren ’80 stilaan verloren gegaan is.

Jean Rollin schreef zijn scenario’s zelf, op enkele uitzonderingen na. In zijn eerste vier films (1968-1971) verkent hij het klassieke horrorthema van het vampirisme, en meer bepaald lesbisch vampirisme. Dit concept, dat zijn oorsprong vindt in Sheridan Le Fanu’s beroemde novelle Carmilla uit 1872, zou in het begin van de jaren ‘70 een geliefd thema worden voor zowel Jesús Franco als verschillende Italiaanse regisseurs. Na een periode van eerder surrealistische films met een grote nadruk op poëzie en symboliek maakte hij Les Raisins de la Mort, een zombiefilm die de structuur volgt van ietwat houterige klassiekers als o.a. George A. Romero’s Night of the Living Dead (1968) en Jorge Grau’s No Profanar el Sueño de los Muertos (1974), met enkele opvallende afwijkingen.

Lees meer »

[Henry Hyndman] De grenzen van het historisch determinisme

hynd1
Henry Hyndman (1842-1921), pionier van het socialisme in Groot-Brittannië

In de 19de eeuw werden drie uitzonderlijk grote en originele boeken geschreven. De auteurs waren een Engelsman, een Duitser en een Amerikaan. Darwins Origin of Species, Marx’ Kapital en Morgan’s Ancient Society drukten hun stempel op een tijdperk in de ontwikkeling van de menselijke kennis en het menselijke denken. Ten gevolge van de vooroordelen van de heersende klasse in alle beschaafde landen m.b.t. privé-eigendom en de oorsprong en permanentie van het monogame gezin, kregen de twee laatstgenoemde boeken spijtig genoeg niet onmiddellijk de algemene erkenning die gepaard ging met de publicatie van het eerste. Zelfs nu nog zijn er vele geleerde Amerikanen die Lewis H. Morgan niet naar waarde weten te schatten. Aan beide kanten van de Atlantische Oceaan zijn pogingen ondernomen om de economische theorieën en historische onderzoeken van Karl Marx te bagatelliseren of verkeerd voor te stellen. Desalniettemin wordt het werk van Marx nu meer dan ooit bestudeerd. Nu [1], meer dan 37 jaar na de dood van de auteur, zo’n 60 jaar na het verschijnen van zijn eerste belangrijke werk Zur Kritik der politischen Ökonomie en nog veel minder lang sinds de publicatie van het eerste deel van Das Kapital, zijn Marx’ theorieën en analyses algemeen aanvaard als het fundament van een degelijke economische scholing, niet enkel op het Europese vasteland, maar zelfs aan de Engelse universiteiten, die immers steeds de laatsten zijn om nieuwe visies op de politieke economie te overwegen. Men kan nu met zekerheid stellen dat zijn onderzoeken niet langer zomaar geboycot kunnen worden. Het feit dat Marx een actieve revolutionair was, alsook een krachtig denker en hevig tegenstander van de vreselijke onmenselijkheid van het kapitalisme, de loonslavernij en het hele systeem van op winst gerichte productie, zal ongetwijfeld het oordeel van de geleerde voorvechters van de door hem bedreigde klasse beïnvloed hebben. Ze wisten zijn economische en sociologische leer niet te onderscheiden van zijn revolutionaire propagandapamfletten.Lees meer »

De Eerste Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1848-49)

mon5
Politieke kaart van het Italiaanse schiereiland ten tijde van de Eerste Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1848-49)

De idee van een soort van eenmaking van het Italiaanse schiereiland bestond reeds lang vóór de reeks onafhankelijkheidsoorlogen. Eenmaking en onafhankelijkheid zijn weliswaar niet hetzelfde en hoeven niet noodzakelijk met elkaar verbonden te zijn. Na de val van Napoleon en de hertekening van de kaart van Europa door het Congres van Wenen werd Noord-Italië grotendeels ingelijfd door het Oostenrijkse keizerrijk van de Habsburgs en hun nazaten. Centraal-Italië werd toebedeeld aan de paus en Zuid-Italië aan de jongste tak van de Spaanse koninklijke familie. Van begin af aan braken er echter onlusten uit in het zuiden en Oostenrijkse troepen moesten tussenkomen om de koning van Bourbon-Sicilië op de troon te houden. Dit betekende dat Oostenrijk al gauw gedwongen werd om een militaire macht van meer dan 100.000 soldaten op het Italiaanse schiereiland te houden om de bestaande machtsstructuur te behouden.

De Oostenrijkse staatsman Klemens von Metternich besefte dat dit op lange termijn onhoudbaar zou blijken en stelde de geallieerden dus voor om een Itiaanse federatie op te richten onder leiding van de koning van Lombardije-Venetië, die niet toevallig ook de keizer van Oosterijk was. De geallieerden wezen zijn voorstel af en de onlusten bleven duren, vooral in het zuiden. Metternich vreesde dat deze rebellie zich verder zou verspreiden en de gebieden zou bedreigen die onder heerschappij van de Habsburgers stonden. Vervolgens stelde Metternich in 1821 het zgn. Protocol van Troppau op, waarin Oostenrijk, Pruisen, Frankrijk en Rusland overeenkwamen dat alle opstanden met verenigde militaire macht neergeslagen zouden worden. Het was weinig waarschijnlijk dat een dergelijke samenwerking ooit daadwerkelijk tot stand zou komen, maar Metternich hoopte dat deze verklaring op zich potentiële rebellen zou kunnen overtuigen van de uitzichtloosheid van hun zaak, om zo steun te bieden aan de koning in Napels. Deze hoop zou echter ijdel blijken, tot grote frustratie van Metternich.

Lees meer »

[James B. Whisker] Het Italiaanse fascisme: Een interpretatie

fasc3
Benito Mussolini (1883-1945) als de Duce, de charismatische, onfeilbare leider van de Italiaanse fascistische staat

Toen de Fascistische Grote Raad op 25 juli 1943 Benito Mussolini uit zijn functie als staatshoofd ontzette, kwam een einde aan het fascisme in Italië. Een einde dat even verrassend was als het begin, toen op 28 oktober 1922 zo’n 300.000 Zwarthemden onder leiding van Mussolini de macht grepen in Italië. De gebeurtenissen tussen die twee data zijn goed gedocumenteerd, maar een degelijke verklaring lijkt veel moeilijker vast te stellen. Het fascisme werd door Mussolini gepropageerd als een unieke combinatie van gedachte en handeling, hoewel het fascisme eigenlijk zelfs na het einde van de Tweede Wereldoorlog nog steeds op zoek was naar zijn ideologie.

De wortels van het fascisme zijn veelvuldig en complex. [1] De fascistische leiders, met Mussolini voorop, erkenden de veelzijdige invloeden van het liberalisme, het marxisme, het syndicalisme, de risorgimento, het soialisme, het katholicisme en het nationalisme op hun ideologie. [2] Hun toespraken en geschriften stonden bol van de citaten van Schopenhauer, Hegel, [3] Sorel, Saint-Simon, Pareto, Mosca, Mazzini en honderden andere auteurs. Ze erkenden dat het fascisme een uniek mengsel was van dit alles en nog veel meer, maar zijn nooit in staat geweest om dit op een bevredigende manier nader te verklaren.

Het Italiaanse fascisme was de eerste toepassing van wat een generieke ideologie moest worden die (zogenaamd) alle politiek rechtse organisaties in de West-Europese naties, de Verenigde Staten, de Britse Commonwealth en zelfs Japan zou omvatten. De Italiaanse leiders beschouwden het fascisme als uiterst geschikt om te exporteren, hoewel het sterke Italiaans-nationalistische accenten bevatte. Het was in wezen niet racistisch, maar in Italië preekte het de passie van het komende Italiaanse ras van de oltreuomo (Übermensch).Lees meer »

[James Kenneth Rooney] Over de enorme geopolitieke en economische betekenis van de zeevaart

De vroege geopolitici zoals Ratzel en Haushofer concludeerden allen – misschien geïnspireerd door Tocqueville, bijgetreden door Mackinder en zelfs door Corbett – dat territoriale omvang een immens voordeel was in het verwerven van grondstoffen. Het interessante is dat dit grotendeels verkeerd is – of in elk geval niet is zoals zij in gedachten hadden.

Ze bleven optimistisch over de ontginningskost en geloofden dat het loutere bezit van grondstoffen ooit van potentieel tot werkelijkheid zou worden door de bekwaamheid om ze te ontginnen. Ze hadden eveneens optimistische ideeën over de aanhoudende opbrengst van de ontginning.

Het angstaanjagende is echter dat vele landen reeds hun eigen grondstoffen uitgeput hebben en deze nu in het buitenland zoeken. Het Verenigd Koninkrijk heeft zijn steenkool- en ijzervoorraden uitgeput. België en Duitsland eveneens. Zelfs in een land met de omvang van de Verenigde Staten raken de olievoorraden steeds meer uitgeput. In 1950 produceerden de Verenigde Staten nog meer dan de helft van de olie ter wereld, nu slechts zo’n 15 procent.

haushofer1
Karl Haushofer (1869-1946), de geopolitieke vader van het nationaalsocialisme

We zien dat de ideeën die de nazi’s inspireerden tot de Lebensraum-idee in economisch opzicht niet deugden. De voornaamste industriële naties vandaag zijn grote importeurs van grondstoffen, voornamelijk energiebronnen, ongeacht hun omvang. We zien ook dat de populaties conformeren met optimale economische voordelen, behalve in landen waar een gecentraliseerde planning tegen de economische tendensen in gegaan is (bv. in Rusland, een nalatenschap van het Sovjet-tijdperk).

Grote delen van de Verenigde Staten zijn onbewoond of slechts dun bevolkt. Dit is nog in grotere mate het geval in China. Achter de isohyeet die zich uitstrekt vanaf het laagland met voldoende neerslag tot de veel drogere hooglanden in het binnenland, wonen heel weinig mensen. Het verbazende is dat meer dan 90% van de Chinese bevolking etnische Han-Chinezen zijn, hoewel nog tientallen andere etnieën leven in het ontoegankelijke binnenland dat gekenmerkt wordt door het torenhoge Tibetaanse Hoogland en talloze woestijnen, waar slechts weinig mensen van de dominante volkeren wonen, ja waar slechts weinig mensen wonen tout court.Lees meer »

[John Abromeit] Links heideggerisme of fenomenologisch marxisme? Een herbeschouwing van Herbert Marcuses kritische theorie van de technologie

abro6
Herbert Marcuse in 1955

De theoretische schatplichtigheid van Herbert Marcuse aan Martin Heidegger staat opnieuw in de belangstelling. Een aantal recente publicaties hebben Marcuses vroege interesse in Heideggers filosofie gedocumenteerd, alsook de restanten van deze interesse in zijn latere werken. In wat volgt zou ik een bijdrage willen leveren aan deze recente discussies door Marcuses theorie van de technologie en de technologische rationaliteit aan een herbeschouwing te onderwerpen. Een herwaardering van Marcuses theorie van de technologie is cruciaal om de mate te bepalen waarin hij schatplichtig bleef aan Heidegger, aangezien vele commentatoren dit zien als het aspect van zijn denken dat Heideggers blijvende invloed het duidelijkste weergeeft. In tegenstelling tot deze interpretatie zal ik aantonen dat Marcuse elementen leent uit de fenomenologie van Heidegger en – in nog grotere mate – van Edmund Husserl, maar dat deze elementen kritisch ingepast worden binnen een volkomen marxistische theoretische benadering, waarbij sociale en geschiedkundige factoren gezien worden als de ultieme determinanten van de technologie en de technologische rationaliteit.

abro2
Richard Wolin, Heidegger’s Children: Hannah Arendt, Karl Löwith, Hans Jonas, and Herbert Marcuse (2001).

Ik zou hier een andere interpretatie aan willen geven dan degene die onlangs geopperd werd door Andrew Feenberg en Richard Wolin, die beide een grondige en blijvende invloed van Heidegger zien in het latere werk van Marcuse. Terwijl zowel Feenberg als Wolin erkennen dat Marcuse kritisch stond tegenover Heidegger, beweren ze ook dat hij in aanzienlijke mate een “heideggeriaan” bleef tot het einde van zijn leven. Feenberg benadrukt Marcuses schatplichtigheid aan Heidegger om zijn werk te prijzen en om de nadruk te leggen op zijn blijvende relevantie voor een kritische theorie van de technologie. [1] Wolin ziet evenwel Marcuses schatplichtigheid aan Heidegger als een blinde vlek in zijn werk, die hem kwetsbaar maakte voor de problematische antimoderne en antidemocratische opvattingen die gedeeld werden door andere “kinderen” van Heidegger, zoals Hannah Arendt, Karl Löwith en Hans Jonas. [2] Hoewel Feenberg en Wolin beide belangrijke aspecten van Marcuses houding tegenover Heidegger naar voren brengen, leggen ze te zeer de nadruk op zijn schatplichtigheid aan Heidegger en gaan ze voorbij aan de ondergeschikte rol die Heidegger in het bijzonder en de fenomenologie in het algemeen spelen in de niet-traditioneel marxistische kritische theorie van Marcuse. [3] De volgende herbeschouwing van Marcuses theorie van de technologie en de technologische rationaliteit tracht ook de verhouding tussen het marxisme en de fenomenologie in zijn latere werk te verduidelijken.Lees meer »